‘We moeten samen onze markt kunnen blijven bedienen’
23-apr-2019

Bron: ZuivelZicht mei 2019
Tekst: René van Buitenen

Zuivelcoöperatie Rouveen wil zich onderscheiden met duurzaam geproduceerde kaasspecialiteiten. Die strategie moet minimaal een marktconforme melkprijs opleveren. Zodat de leden de mogelijkheid hebben om hun bedrijven verder te ontwikkelen, legt voorzitter Jan van Ommeren uit.

De resultaten over het afgelopen boekjaar zijn nog niet met de leden gedeeld. Daar kan Jan van Ommeren dus niets over zeggen. Wel wil de voorzitter van de raad van beheer kwijt dat Rouveen Kaasspecialiteiten ook in 2018 redelijk goed heeft gedraaid.
De onderneming moet het hebben van de productie en verkoop kaasspecialiteiten. Dat doet zij door marktgedreven te opereren en niet melkgedreven, zoals Van Ommeren het zegt. “We produceren niet voor de voorraad; we produceren wat de klant vraagt.” Dat gaat de coöperatie al jaren goed af. “We kunnen zeggen dat onze corebusiness, de productie van kaasspecialiteiten, steeds verder groeit.”

Marktpotentieel
Ook bij Rouveen is de melkaanvoer de afgelopen jaren flink toegenomen, zoals alle melkverwerkers in Nederland na afschaffing van de quota overkwam. De coöperatie neemt alle melk van haar leden af, maar waakt er voor meer kaas te produceren dan de markt aankan. Als de melkaanvoer niet strookt met de vraag, dan wordt de melk op de spotmarkt afgezet. “Ik kan niet zeggen dat we als gevolg van een hogere melkaanvoer de laatste jaren meer melk naar de spotmarkt hebben afgezet; ons marktpotentieel breidt namelijk uit”, meldt Van Ommeren.
In de aanloop naar beëindiging van de quotering introduceerde Rouveen een systeem met A- en B-melkprijzen. Veehouders die meer melk leverden dan gevraagd werd, kregen voor het surplus een lagere melkprijs. Dat systeem is inmiddels afgeschaft omdat de overheid fosfaatrechten introduceerde, waardoor de melkproductie vanzelf werd beteugeld. “We wilden niet dat onze veehouders met twee productiebeperkende maatregelen zouden worden getroffen”, legt Van Ommeren uit. “We willen onze veehouder namelijk de gelegenheid bieden om te kunnen groeien. Niet dat de groeiruimte onbeperkt is, gezien de milieurandvoorwaarden. Daarbinnen moet er wel ruimte zijn om te kunnen ondernemen, vinden wij.”

Inventiviteit
Dat wordt steeds lastiger, constateert Van Ommeren, die zelf in Hasselt een melkveebedrijf heeft met 110 koeien en bijbehorend jongvee. “Onze veehouders zitten over het algemeen in een gebied dat gemiddeld genomen niet heel intensief is. Er is hier en daar nog wel ontwikkelingsruimte. Maar de landbouwvisie van de minister en het advies van de Commissie Grondgebondenheid maken het er niet gemakkelijker op. Er wordt veel inventiviteit van de veehouders gevraagd om gebruik te maken van de groeimogelijkheden die er nog zijn.” De zuivelcoöperatie wil haar leden daarbij helpen door hen meer financiële armslag te bieden in de vorm van een goede melkprijs. Daarbij past ook een duurzaamheidsprogramma waarmee de onderneming kan voldoen aan de steeds strenger wordende eisen die afnemers stellen aan de productie van zuivel, legt Van Ommeren uit. Hij voegt eraan toe dat de onderneming er bewust voor heeft gekozen niet een bepaalde melkstroom te verduurzamen, maar de hele melkplas die circa 200 miljoen kg groot is. “Met ons duurzaamheidsprogramma stimuleren we alle melkveehouders om hun productie verder te verduurzamen. Op die manier tillen we namelijk ons hele assortiment naar een hoger niveau.”

Punten
Rouveen Kaasspecialiteiten baseert haar duurzaamheidsprogramma op de doelen van de Duurzame Zuivelketen, het samenwerkingsverband waarin de Nederlandse Zuivel Organisatie en LTO Nederland samen de zuivelketen verduurzamen. Aan die doelen heeft Rouveen punten gekoppeld. Naar mate veehouders erin slagen de doelen van de Duurzame Zuivelketen te realiseren, krijgen zij meer punten en een hogere toeslag op de melkprijs. Veehouders die niet willen deelnemen aan het programma krijgen een korting op de melkprijs. “We vinden verduurzaming van de productie belangrijk. Daarom stimuleren we het en zetten we er stevig op in”, stelt Van Ommeren. “We zitten inmiddels op bijna 100 procent deelname.”
Een melkveebedrijf dat veel punten scoort, is volgens Van Ommeren op den duur meestal ook financieel beter af. “Het antibioticagebruik is lager, de ziektedruk is geringer, de veestapel gaat langer mee. Dat is allemaal gunstig voor het bedrijfsresultaat. Dat aspect blijft weleens onderbelicht.”

Biodiversiteit
“Nieuwe ontwikkelingen in de markt houden we goed in de gaten. Als er vraag is naar producten waaraan nieuwe duurzaamheidseisen worden gesteld, overwegen we die zeker op te nemen in ons programma, mits er een vergoeding uit de markt tegenover staat. Want als het alleen maar leidt tot een kostenverhoging voor de boer heeft het geen zin.” Hij wijst in dat verband op het Deltaplan Biodiversiteit, waar de Duurzame Zuivelketen zich aan heeft verbonden. “Voor een sector die zoveel grond in gebruik heeft, is het een must om een bijdrage te leveren aan het behoud van de biodiversiteit in ons land. Maar er wordt vanuit de samenleving te veel naar de landbouwsector gekeken als veroorzaker van het verlies aan biodiversiteit. Dat is niet terecht, vind ik. Natuurlijk moeten wij ook de hand in eigen boezem steken en we willen een bijdrage leveren, maar er mag ook iets staan tegenover de kosten die we maken. In het Deltaplan Biodiversiteit is dat goed verankerd. Al moeten de mooie woorden die er in staan nog wel worden waargemaakt.”

Arbeidsmoraal
“De uitdaging waar wij voor staan is eigenlijk verwoord in onze visie. We willen minimaal een marktconforme melkprijs aan onze leden betalen. We zijn een coöperatie die opereert als verlengstuk van hun bedrijven. We moeten de melk zo goed mogelijk tot waarde brengen. Daar komt de verantwoordelijkheid die we hebben voor het personeel bij. Dat is misschien wel specifiek voor Rouveen. We zitten namelijk in gebied waar een hele positieve arbeidsmoraal heerst. Dat vind je terug in onze onderneming. De betrokkenheid van ons personeel bij de onderneming is groot. Daar steken we ook veel energie in. Dat is noodzakelijk, want de arbeidsmarkt wordt er niet gemakkelijker op.”
Zijn voorzitterschap loopt over twee jaar af. Dan heeft Van Ommeren er twaalf jaar opzitten als coöperatiebestuurder en dient hij statutair af te treden. Tijdens zijn voorzitterschap streeft hij twee doelen na. “Ik wil de cultuur van Rouveen behouden in de breedste zin van het woord. Die cultuur uit zich bij voorbeeld in de arbeidsmoraal van de werknemers, maar ook in de eerbiediging van de zondagsrust.”
“Daarnaast wil ik dat we de boeren een toekomstperspectief kunnen bieden door goede melkprijs uit te betalen. Dat vraagt inzet van zowel de onderneming als van de leden zelf. Want we moeten er met elkaar voor zorgen dat we onze markt goed kunnen blijven bedienen en soms moet je proberen nieuwe markten te creëren.”
Van Ommeren hecht er aan de saamhorigheid binnen de raad van beheer te benadrukken. “We doen het samen; ik ben een teamplayer. Als raad van beheer zijn we goed op elkaar ingespeeld. Er is onderling vertrouwen maar er worden ook kritische vragen aan elkaar gesteld. Dat moet ook. Elkaar kritisch volgen geeft pas meerwaarde als er een basis van vertrouwen is. Anders wordt het haantjesgedrag of je eigen straatje schoonvegen. Het gaat erom dat we de coöperatie samen verder brengen.”